De Riffijnse oorlog (1920-1927)

In de Rifoorlog heeft Mohamed ben Abdelkarim El Khattabi in de volksmond Adelkarim genoemd een hoofddrol gespeeld. Abdalkarim leidde in Noord Marokko een opstand van Riffijnen en Jbella tegen de Spanjaarden en wist hen in 1921 bij Anoual na hevige gevechten te verslaan.


In 1924 dwong hij de Spanjaarden zich tot de kusten terug te trekken. De Riffijnen lieten zien wat zij onder moed verstaan, de oorlog was een echte oorlog. Dit was geen klassieke koloniale oorlog zoals de Fransen wilden doen geloven. Ho tsji Minh en Mao Zedong zagen in de Marokkaanse vrijheidsoorlog de bakermat van de moderne revolutionaire oorlog en een voorbeeld voor alle gekoloniseerde volkeren.


Voorgeschiedenis

Voordat Abdelkarim El Khattabi de Riffijnnen organiseerden tegen de Spanjaarden had Muhemmed Amezyan al een respectable strijd gevoerd. Muhemmed Amezyan is geboren in 1889 en hij behoord tot de Ayt Bu Yefrur dat ligt in de noordelijke provincie Nador. Hij was een religieus hoofd en werd door de bewoners moreel gerespecteerd en geliefd. Hij werd door de inwoners geraadpleegd over de problemen waar de gemeenschap mee te kampen had. In die hoedanigheid stimuleerde Muhemmed Amezyan de patriottische gevoelens van de stammen in de Rif en riep hen op om het Spaanse kolonialisme te bestrijden. Destijds waren de Spanjaarden bezig met het verwezenlijken van een treinverbinding tussen Melilla en de ijzerertsmijnen in Adrar `n Yeksan. Deze ijzerertsmijnen waren door Bu Hmara aan de Spanjaarden verkocht. De eerste grote slag tussen de Riffijnen, aangevoerd door Muhemmed Amezyan tegen het Spaanse leger vond plaats in Diwana. Het werd een nederlaag voor de Spanjaarden; na afloop waren er zo'n 3 000 gewonde soldaten aan de Spaanse zijde.

Na dit succes sloten andere stammen van het Rifgebied zich bij deze opstand aan. Het het aantal vrijheidsstrijders "Imjahden" steeg doordat elke stam wel mannen en matriaal zond ter versterking van het Riffijnse leger. De inwoners die in de dorpen achterbleven hadden als taak om de verplaatsingen en de bewegingen van de vijandige troepen in de gaten te houden en om alarm te slaan in geval van gevaar of voorbereidingen van een aankomende aanval, dit gebeurde d.m.v. vuursignalen.


Gedurende 5 jaar heeft Muhemmed Amezyan meer dan 100 koloniale veldslagen geleverd, waaronder: De Slag van Diwana, De Slag van Rhed `n Ayt Cicar, De Slag van Ikebdanen, De Slag van Selwan, De Slag van Azghenghan, etc. Om het gevoel van eenheid en gelijkheid van de 'stammen' te stimuleren was Muhemmed Amezyan altijd in de frontlinies te vinden. Hij is uiteindelijk overleden bij de Slag van Hammam. Hij was in eerste instantie in zijn geboortegebied begraven, maar werd vervolgens door de Spanjaarden overgebracht naar Mellila.

In Zuid-Marokko

Sultan Abdelaziz die in 1900 de troon had bestegen, speelde met zijn onverantwoord bestedings gedrag de Europeanen in de kaart. Door zijn extravagante uitgaven was de schatkist gauw leeg. De Franse, Engelse en Spaanse banken bieden zeer vriendelijk aan om deze weer te vullen, tegen woekerrenten. Alleen al om de rente te kunnen betalen moet de Maghzan (centrale overheid in Rabat) nieuwe schulden aangaan. Al gauw is de schuld zo hoog dat de kredietverleners garanties gaan eisen. Frankrijk krijgt het beheer over de douanegelden, een deel hiervan zou worden aangewend om de schulden af te lossen. Om de roekeloze bestedingen van de Sultan Adel Aziz en de corrupte regering van Ba Ahmed bij te staan begonnen de troepen van de Sultan "mehallas" genaamd buitengebieden te plunderen om het gebied onder belastingplicht van de Sultan "Blad al Maghzan" te vergroten. De stammen van de oostelijke Rif waren erg verontrust over de plotselinge uitbreiding van het Blad al Magzan. Bou Hamara die ook "Jilali" werd genoemd, was gevestigd in Taza en deed zich voor als de "Rhogi" de rechtmatige opvolger van vorige Sultan. Hij maakte gebruik van de situatie en wist veel stamleden achter zich te krijgen om tegen de uitbreiding van de Maghzan te vechten. Bou Hamara organiseerde een bende van ontevreden stamleden en trok naar het Noorden om het Rifgebied het zijne te maken. Deze chaos van het Marokkaanse bestuur was het excuus dat de Fransen nodig hadden om Marokko te bezetten.

Links zie je een spotprent van de bekende Nederlandse tekenaar Braakensiek van de “Entente Cordiale” tussen Frankrijk en Engeland. John Bull (Engeland) is heel tevreden met de tamme Egyptische krokodil en wijst Marianne (Frankrijk) de gekooide Marokkaanse leeuw: `Ga je gang`. Rechts, een foto uit 1912 waar de Spaanse en Franse delegatie het "Protectoraat-verdrag" ondertekenen over de verdeling van Marokko.

Een Riffijn van de Ayt Waghyrel stam die studeerde aan de gerespecteerde Karawine Universiteit in Fes, vernam van een medestudent dat Bou Hmara die inmiddels het gebied van Taza tot Melilla bestuurde, Riffijnse mijningsrechten had verkocht aan de Spanjaarden en dat hij van plan was de centrale Rif verder te veroveren. Toen Abdelkarim de Maghzan (overheid) informeerde over de inval van de Rhogi in de Riff en hen vroeg hem tegen te houden reageerde de minister met de vraag; waarom zouden wij om de Bni Waryaghel geven als zij over de zee wonen? Dit liet de buitengewone desinteresse en onkundigheid van de Maghzan jegens de Rif zien, tevens blijkt hieruit dat de Maghzan niet begaan was met het lot van de Riffijnen.


Abdelkarim is hierna direct naar de centrale Rif vetrokken waar hij in een spoedberaad de "Imgaren" clanhoofden van de de Ayt Waryaghel bijeen had geroepen. In dit beraad riep Abdelkarim samen met zijn gerespecteerde vader en broer de leden samen te werken om de Rhogi te verslaan. Tijdens deze bijeenkomst kwam het leiderschapstalent van de toekomstige leider van Rif voor het eerst prominent naar voren. De Ayt Waryagel stam onder de leiding van de vader van Adelkarim en zijn broer M`hemed hadden Bou Hamara verslagen en teruggedreven naar Taza waar hij uiteindelijk door de sultan gevangen werd genomen. In het berggebied van de Jbella in het westen van het Rifgebied terroriseerden de "Sherif(beweren afstammelingen van de profeet te zijn)" Raisuni de inwoners. Raisuni stond bekend om zijn genadeloze plundertochten op de inwoners van dit gebied die Jbella genoemd worden. Marokko leek af te stevenen op totale anarchie, het werd voor de Europese machten spoedig duidelijk dat het "Sherifian Empire" een fictie was en dat Marokko een onstabiele agglomeratie van stammen was. In 1908 begon de Franse bezetting van Marokko. Zij maakten gebruik van de onzekerheid die ontstond toen de nieuwe sultan de macht over nam. De sultan stemt toe met de kolonisatoren, buitenlandse ingenieurs laten een spoorweg dwars door een begraafplaats lopen. Het volk komt hiertegen in opstand, er vallen aan Europese kant negen doden. De Franse vloot beschiet hierna Casablanca en zet een expeditiekorps aan land om de orde te herstellen, zij riepen tevens de Spanjaarden op hetzelfde te doen in Noord Marokko wat onder het protectoraat verdrag aan hen was toebedeeld.

In Spanje

In Spanje was het volk het niet eens met het expansionistische gedachtegoed voor een koloniseringplan in Noord-Marokko, het was eerder een keus van de minderheids regering gesteund door Koning Alfonso XIII. Er was in feite een grote weerzin in Spanje wat betreft het verdrag dat Spanje met Frankrijk had gesloten. Ondanks hogere soldij voor de officieren en promotie was het aantal vrijwilligers dat zich aanmeldde gering. Volgens de Baskische intellectueel Antonio Azpeitua, konden de Spaanse kolonisatoren onmogelijk de situatie van de Marokkanen verbeteren omdat zij zelf een te lage educatieve en economische standaard kenden en hun concept van de "Mooren" te verstoord was. De Spanjaarden zijn zich in de loop van de geschiedenis gaan zien als veroveraars en niet als kolonisatoren. De meeste Spanjaarden zagen de Marokkanen met onplaatsbare vijandigheid aan. Er was een algemene idee onder de Spanjaarden dat de "Moren" een gezworen vijand waren van de Christenen en hierdoor niet vertrouwd konden worden. Volgens Prins Aage van Denemarken die als kapitein in het Franse vreemdelingen legioen diende keek het Franse leger neer op het Spaanse. De Spanjaarden waren van een pijnlijke avontuur in Zuid-Amerika en de Filippijnen terug gekomen. Spanje verloor grote delen van haar rijk aan de VS en aan inheemse onafhankelijkheids bewegingen. De Spanjaarden waren nu door de Fransen en de Engelsen (Gibraltar) gelokt in een strijd. Spanje was op zoek naar eer die zij met de val van het Spaanse overzeese gebieden hadden verloren. Zij dachten Noord-Marokko makkelijk te kunnen bezetten door haar nabijheid t.o.v. Spanje, dit voordeel hadden zij niet in de vroegere koloniën. Spanje begon Noord-Marokko vanuit de presidios (enclaves in Marokko) van o.a. Melilla stap voor stap te veroveren.

De slag bij Anoual en terugtocht van Chouwen

Generaal Silvestre was direct geïnstrueerd vanuit Madrid door Koning Alfonso XIII om niet zoals het ministerie van defensie beoogde de Rif stap voor stap te koloniseren maar hard aan te vallen. Deze order werd d.m.v. een telegram verstuurd aan Silvestre die op dat moment was gestationeerd in Melilla. De Koning wilde snel succes in de Rif en berichtte aan Silvestre; voorwaarts naar de Rif. Abdelkarim had vernomen dat de Spanjaarden verder de centrale Rif wilde veroveren en waarschuwden de clanhoofden. De opgewonden generaal die neerkeek op de Riffijnen beloofde de simpele Riffijnen snel te verslaan en spoedig thee te drinken in het huis van Abdelkarim. Abaran, Ighriben en Anual werden historische battlegrounds.


Deze plekken betekenen voor de Riffijnen wat de veldslag van Saratoga betekend voor het Westen. In deze valleien vochten de Riffijnse harka`s met 30 tegen 1 in de minderheid een fenomenale veldslag. Adelkarim had de Riffijnse mannen van zijn stam verzameld en waarschuwde Spanje de "Amekran" rivier niet over te steken, Silvestre besloot dit op order van de Koning wel te doen en zetten posten op over de rivier. Door de militaire strategie van Abdelkrim in combinatie met de onverschrokken aard van de strijders konden 500 zwaar bewapende Riffijnen fort na fort op de Spanjaarden veroveren, beginnend bij Sidi Driss aan de overkant van de Amekran rivier. De stafofficieren waren bij de eerste aanval van de Riffijnen gevlucht en generaal Silvestre werd neergeschoten.


Spaanse soldaten gooiden hun wapens weg en sloegen in oostelijke richting op de vlucht via Driouch en Aruit naar Melilla. Tijdens deze terugtrekking namen de overige Riffijnse stammen wraak op de Spanjaarden en sloten zij zich aan bij de strijders van Abdelkarim. De gehele Spaanse linie werd nu aangevallen en de gevluchte verwarde Spaanse soldaten die Anual hadden overleefd zorgden dat het moraal in de overige forten naar een dieptepunt daalde. Anual werd door de immense verliezen van mensen, martiaal en gebied een catastrofe voor het Spaanse leger. Hoewel de verliezen lange tijd verborgen werden gehouden voor het Spaanse publiek was het eindrapport tamelijk zuur. Het aantal gedode Spaanse soldaten was officieel 13.192, volgens andere bronnen die vermoedelijk dichter bij de waarheid zaten 19.000 doden, een groot deel van het Spaanse leger! Qua materiaal waren er 20.000 geweren, 400 machine geweren, 129 kanonnen en aanzienlijke voorraden munitie veroverd op de Spanjaarden. Alles wat Spanje had opgebouwd in 12 jaar werd veroverd in 20 dagen door "primitieve" Riffijnen.


Toen de Spaanse Koning die de bijnaam "Narizotas" langneus had, werd bevraagd over zijn rol in de strategie van de Rifoorlog antwoordde hij laconiek; Kippenvlees is goedkoop! Hij refereerde hier naar de omgekomen arme Spaanse soldaten van het platteland. Anual werd de grootste overwinning van de Riffijnen, of iedere andere inheemse stammenfederatie die in de moderne tijd gewonnen had van een Europese macht. Na deze overwinning sloten de stammen van de Jbella en de Ghomara zich bij Abdelkarim aan om de Spanjaarden ook uit hen gebieden te verdrijven. Ahmed Heriro de eerste man van de "Sherif" Raisuni sloot zich aan bij Abdelkarim en keerde Raisuni de rug toe. De dappere, intelligente Jebli stond bekend als een sterke leider en goede krijger. Raisuni onderdrukte de Jbella en werkte wanneer het hem uitkwam samen met de Spanjaarden voor eigen gewin. Toen Abdelkarim hem vroeg om een alliantie te sluiten wees hij deze hardhandig af, hierna nam Abdelkarim hem gevangen. De Jbella stammen die eindelijke bevrijd waren van de juk van Raisuni schaarden zich achter Abdelkarim en vielen de Spaanse garnizoenen in het westen aan. Spanje besloot uiteindelijk de nederlaag te erkennen en trok zich terug naar de Spaanse presidios van Ceuta en Tetouan.


Bij de terugtocht van Chaouwen in de Jbella werd hevig gestreden en de verliezen van Spanje waren hier wederom enorm. Hier werden 8 majoors en 175 andere officieren gewond geraakt, 1 generaal (Serrano), 600 officieren, 17.000 soldaten werden gedood. De correspondent, Webb Miller berichte het volgende; Nooit heb ik soldaten gezien in zo`n staat van uitputting en neerslachtigheid, de zolen van hun laarzen waren kapot gelopen. Geen van de soldaten saluteerde zijn officier, met tegenzin stonden zij mompelend en vloekend opgesteld. Ik dacht dat ik getuige was van een naderende muiterij. Miller werd rondgeleid door een Spaanse officier die door geen enkele soldaat werd gesalueerd, hij wilde namens Miller wel een Riffijnse dorp bombarderen ter ere van zijn bezoek. Miller protesteerde, de officier bombardeerde met het vallen van de nacht het dorp om zoveel mogelijk slachtoffers te maken.

De overwinning

Op het moment dat de Riffijnen en de Jbella de Spanjaarden hadden verjaagd uit Chefchaouwen begon het verzet en opstand van de Anjera stam. Deze stam van het bergachtig gebied tussen Tanger en Tetouan begonnen de Tanger-Ceuta-Tetouan militaire posten en communicatie lijnen aan te vallen en plunderden het plaatsje Alcazarseguir. Er werden 10.000 Spaanse troepen gestuurd tegen deze koppig doorvechtende tribesman, maar tevergeeft ook deze steuntroepen bleken geen "match" te zijn voor deze dappere Jbella stamleden de Anjera.


De terugtocht van Chaouen werd een tweede catastrofe gelijk aan Anual verklaarde de hoogste Spaanse officier Primo de Rivera aan Webb Miller. Verder vertelde hij; Abdelkarim heeft ons verslagen, hij heeft het immense voordeel van het terrein en fanatieke volgelingen. Onze troepen zijn ziek en moe van oorlog, zij begrijpen niet waarom wij vechten voor deze strook waardeloze land. Ik ben persoonlijk voor algehele terugtrekking uit Afrika verklaarde hij verder. Abdelkarim werd de bewezen leider van het Rifgebied, van de poorten van Melilla tot de buitengebieden van de Jbella. Abdelkarim werd te succesvol bij het stichten van een Riffijnse staat die grensde aan het Frans Marokko. Vanuit Rabat rapporteerde de Franse veldmaarschalk Lyautey; er is niets erger voor onze regime dan de stichting van een moderne onafhankelijke Riffijnse staat zo dicht bij de vlaktes van Fes en Taza die als aanvoerroute naar Frans Algerije dienden. Het maakt Abdelkarim een aantrekkingskracht voor patriottische Marokkaanse elementen, in het bijzonder de intellectuele jongeren die door de Rif geënthousiasmeerd waren voor een onafhankelijk Frans Marokko. Nadat Abdekrim de Spanjaarden had verjaagd besloot hij verklaringen en afgezanten te sturen naar de belangrijkste buitenlandse mogendheden. In de verklaringen stond o.a. dat de Rif open staat om economische banden aan te gaan die buitenlandse bedrijven toestaan zich te vestigen in de Rif. Abdelkarim benadrukte in zijn verklaringen ook de unieke identiteit van de Riffijnen die hij wilde beschermen.

Nu volgen er documenten die de leider Mohamed ben Abdelkarim El Khattabi aan de buitenlandse naties heeft gestuurd na de door hem geleide overwinning.

Het Riffijnse leger

Abdelkarim omringde zich met familieleden, de enige mensen die hij 100% kon vertrouwen want zij waren aan hem gebonden als bloedverwanten wat de kern is van de Riffijnse loyaliteit. Zijn broer M`hemed kwam aan het hoofd van het reguliere leger, de soldaten van de Ayt Waryghel stam vormden de kern en waren stuk voor stuk bekwame strijders die zich vrijwillig aangemeld hadden. Zij werden in "batch" gewijs voor actieve dienst opgeroepen zodat er altijd een parate eenheid van 5.000 man op de been was. Diegenen die terugkeerden konden rusten en het land bewerken. De eenheden bestonden uit groepen die van een bepaalde regio afkomstig waren, deze hadden allen een eigen gekozen leider uit hun gebied. De mannen van de orginele harka (aanvalsgroep) van Anoual samen met de overlevenden van Abaran werden door Abdelkarim aangesteld als Kapitein. Zij werden afhankelijk van ervaring en leeftijd ingedeeld als commandanten van grote divisies of variabele eenheden die Mhallas heten. Deze Mhallas bestonden uit een macht van 100 man, "Miyas" genaamd. De "Khamsteens" eenheden 50 man, "Chamstus-Ashins" 25 eenheden en de "Incash" van 12 man. Een Kapitein van de Mhallas staat gelijk aan een Kebir de rest van de commandanten had een luitenants rang of Caid aanstelling. Het Riffijnse leger had twee belangrijke korpsen, de Infanterie en de Artillerie die uit 350 eenheden bestond.

Onder Abdelkarim vochten tevens bekwame cavalerie eenheden die afkomstig waren van de Ayt Bu Yahi en de Metalsa stammen. Deze oostelijke stammen kenden een lange ruiters traditie. De onverschrokken en bekwame ruiters werden ingezet voor aanvallen op de vlaktes. Als boodschappers fungeerde een bereden eenheid van 25 man. Tegen 1924 was het Riffijnse leger goed bewapend met Schneider geweren, Hotchkiss machine geweren en het bekende Franse 75 mm kanon. De Franse wapens waren veel effectiever dan de wapens die de Riffijnen op de Spanjaarden hadden veroverd. Het Riffijnse leger was nu goed bewapend, efficiënt en georganiseerd voor het uitvoeren van een guerrilla oorlog. De bewezen guerillia tactiek van de Riffijnen werd op aandringen van Abdelkarim voortgezet. Hij stelde dat de Riffijn zijn mobiliteit, schutters kwaliteiten en kennis van terrein optimaal moet benutten. Het leger van Abdelkarim werd uitgebreid en bestond nu uit een kern van 30.000 man. Elke Riffijnse soldaat moest als een individu worden behandeld, hij vertelde zijn commandanten dat zij hun troepen goed moesten blijven informeren van wat er op komst was zodat iedere man de gehele strategie begreep. Volgens Abdelkarim stond elke Riffijnse soldaat gelijk aan zes Spaanse. Abdelkarim was tegen de regimenten strategie, afgezien van onderscheid in kleuren van hoofdbedekking om de infanterie (rood) de Artillerie (zwart) van de persoonlijke eenheid Abdelkarim (groen blauw) te onderscheiden, droeg iedere Ariffi een zelf geweven bruine Jellaba.


Elke Riffijn droeg een geweer, een lange rechte dolk, eigen patronen, brood, en gedroogd fruit. Doordat in de Riffijnse gezagstructuur alleen de dapperste en de natuurlijk leiders naar de top stegen, gehoorzaamden de Riffijnse soldaten volledig het bevel van hun meerdere. De soldaten waren over het algemeen hard, moedig, vindingrijk en uitmuntende schutters met een uithoudingsvermogen die ze een verbazingwekkende mobiliteit gaven. Zij konden s`nachts 50 km over een bergpad afleggen om bij zonsopgang gereed te staan voor een aanval. De Spanjaard Enrique Menses die gevochten heeft tegen de Riffijnen had grote respect voor hen, hij vertelde; wanneer een Riffi vecht is hij dapperder, of beter hij vergeet angst. Als zijn maatje neervalt rent hij nooit weg hij neemt zijn plaats in. Een Franse officier vertelde; het zijn geweldige kerels die Berbers, zij kennen het woord overgave niet. Een enkeling durft het op te nemen tegen een hele eenheid, zij rennen nooit weg.


Mannen die voor het Franse legioen vochten tijdens de Rifoorlog beweerden dat de verliezen aan de Franse zijde zo groot waren dat de autoriteiten niet de ware aantallen durfden te publiceren. Volgens een bekende Riffijnse gezegde is het beter snel in de strijd om te komen dan langzaam te sterven onder buitenlandse juk. Prins Aage van Denemarken die in het Franse legioen diende vertelde dat het bijna onmogelijk was een Riffijn gevangen te nemen, wanneer hij gewond raakt blijft hij doorsteken tot het einde. De Prins concludeerde dat het geharde en getrainde Franse vreemdelingen legioen zijn gelijken had gevonden onder de Riffijnen. In het plaatsje Ourtzaght bij Taounate is een hele garnizoen van de Fransen voor de hulptroepen arriveerden, afgemaakt en over de klippen gegooid. Toen de legionairs bij het fort Telaghza ten westen van Taounate bevelen waren zich terug te trekken, waren zij bijna allemaal neergeschoten door Riffijnse schutters. De Franse legerleiding had de Riffijnse guerrilla militairen duidelijk onderschat. Veldmaarschalk Pétain rapporteerde het volgende over de situatie in Marokko; de niets ontziende waarheid is dat we plotseling zijn aangevallen door de best bewapende vijand die we tijdens onze koloniale geschiedenis ooit ontmoet hadden.

Spanje en Frankrijk vallen het Rifgebied aan

Terwijl de Spanjaarden uit alle macht proberen Titouan en Melilla te redden, valt het Franse leger vanuit het zuiden bij de Werga rivier de Bni Zerwal stam aan. De Bni Zerwal stam heeft Abdelkarim gesteund in de strijd tegen Spanje, nu vraagt de leider van de stam aan Abdelkrim hem te steunen. Abdelkarim stuurt zijn troepen die niet alleen bestonden uit Jbella en Riffi`s maar ook Beni Yahmed (Senhadja Srir) en de Beni Mestara stamleden van de Franse zone naar de Franse legionairs die de Wergha rivier waren overgestoken. De Fransen worden verslagen, tevens breken de eenheden van Abdelkarim de defensie linie door die door de Franse onneembaar geacht werd. Frankrijk moet buigen onder het tegenoffensief van de Riffijnen. Lyautey die de situatie niet meer aankan houdt het voor gezien, Pétain neemt het over.


Net als de Spanjaarden hadden de Fransen een speciale eenheid vliegers in 1925 opgezet n.m. Escadrille Chérifienne die werd bemand door 17 Amerikaanse en 5 Fransen piloten, deze eenheid stond bekend om de bombardementen met dieselbommen op vrouwenmarkten en andere onschuldige burgers. De commandant van deze eenheid was de huurling Kolonel Charles Sweeny. De Spanjaarden en de Fransen bombardeerden de Riffijnen vaak wanneer zij verzamelden in de moskeeën om te bidden bij zonsondergang! Een Franse generaal schreef: "er was geen stam die spontaan naar ons overliep. Geen stam heeft zich zonder slag of stoot onderworpen, ze gaven soms pas op nadat ze tot de laatste man tegenstand hadden geboden".

Pétain wordt aan het hoofd geplaatst van een leger van 725.000 man!, bijgestaan door vierenveertig escadrilles. Hij voert het bevel over zestig Franse generaals. De Spanjaarden zetten 100.000 man aan land. Tegenover hen een sterk Riffijns leger met een vaste kern van 30.000 strijders!, versterkt door ongeregelde troepen. Maarschalk Pétain verbiedt internationale humanitaire hulp naar de Rif te zenden. Meer dan een jaar houden ze dapper stand, onder artillerievuur en tankaanvallen waartegen ze met hun geweren niets kunnen doen. Op 27 mei 1926 geeft Abdelkrim zich over, zijn soldaten voelen zich niet verslagen en de vrijwilligers blijven toestromen, maar hun dorpen bezwijken de een na de ander onder de zware bombardementen. Pas na een gezamenlijk Frans-Spaans optreden moest Abdelkarim zich in 1926 overgeven.


Generaal Mangin, & Lyautey, de Europese "slagers".

Generaal Mangin, 1914-1918, stond bekend om zijn wreedheid. Zijn specialiteit was het organiseren van vernietigingsmarsen onder de bevolking waar niemand van terug kwam. De buitenwereld kreeg niets van deze beelden te zien, enkel het knappe gezicht van Lyautey werd getoond, hij was het voorbeeld van de charmante officier die zijn hart aan Marokko had verkocht.

In 1964 trok de schrijver Furneaux door de Rif samen met Said de zoon van Abdelkarim. Wat hen opviel was de nabijheid van de Spaanse fort op het eilandje op steenworp voor de kust rond Ajdir. Dit eilandje steekt als een dolk in de hart van de Rif vanwaar een Spaanse invasie makkelijk mogelijk was. Hij vroeg aan Said waarom Abdelkarim het makkelijk in te nemen eiland niet had aangevallen. Said antwoordde; mijn vader kon makkelijk het eiland innemen door het af te snijden van watertoevoer van het vaste land maar dit weigerde hij omdat hij wist dat er vrouwen en kinderen van de soldaten zich op dat eiland bevonden die hij water niet kon weigeren. Furneaux moest denken aan de wreedheden die de Spanjaarden hadden begaan zoals het gebruik van gifgas op onschuldige burgers, de bombardementen, die allen voor haat gezorgd had van de Riffijnen ten opzichte van de Spanjaarden. Deze gerechtvaardigde haat kon de Riffijnen niet van hen morele code en rechtvaardige gevoel verleiden voor oorlogs tactieken van de "ontwikkelde" tegenstanders. Deze strijd zette veel op scherp en veduidelijkte de werkelijke aard van de strijd. Abelkarim kon ook na de overwinning van Anoual waarbij de Spaanse soldaten naar Melilla waren gevlucht deze havenstad innemen. Abdelkarim die aan de poorten van Melilla stond verbood de Riffijnen Melilla in te nemen omdat zich daar vrouwen en kinderen bevonden. Deze wilde hij beschermen tegen de Riffijnen die door jarenlange onderdrukking en wandaden gepleegd tegen hen families door de Spanjaarden, uit waren op wraak. Puur vanuit militaire strategisch oogpunt gezien zou de inname van het forteiland voor Al Hoceima en de haven van Melilla de Rif bijna immuun hebben gemaakt voor toekomstige verovering. Furneaux bedacht zich dat wanneer Abdelkarim op onze manier oorlog had gevoerd hij vermoedelijk zou winnen, alleen faalde hij omdat hij op een manier oorlog wenste te voeren die zijn Christelijk opponenten laakten. Tijdens een gesprek met een leraar die een verzetstrijder was in de Rifoorlog vroeg Furneaux naar zijn mening over de startegieën van de strijd. De man antwoordde; het is voor een Riffijn walgelijk om vrouwen en kinderen aan te vallen en maakte daarbij heel spontaan, de voor Furneaux merkwaardige opmerking; als we op deze manier oorlog hadden gevoerd waren we geen Riffijnen meer!

Mohamed ben Abdelkarim Elkhatabbi

Vincent Sheean kwam in Ajdir aan tijdens luchtaanvallen, hij was tijdens deze oorlog naar de Rif getrokken om Abdelkarim te intervieuwen voor zijn werk "In search of the History". Tijdens deze luchtbombardementen waren ze teruggetrokken in een grote grot nabij de woning van Abdelkarim die als schuilplaats diende. Sheean zag op het moment dat de vliegtuigen over de grot vlogen Abdelkarim opstaan, met zijn geweer bij de ingang van de grot staand, nauwkeurig mikkend een zin uitspreken die hij al lopend begonnen was; iets over ; niet te verlagen van eisen voor eigen bestuur, met schoten onderbroken; …La indepencia ( BANG ! )…absoluta ( BANG! ) …del Rif ( BANG!). Ondanks de oncomfortabele situatie van de aanvallen was Sheean vervuld dit veelbetekenende spektakel te mogen aanschouwen. Teruggekomen in Engeland schreef Sheean het volgende over Abdelkarim; hij belichaamde de beste kwaliteiten van zijn mensen, hij definieerde en vertegenwoordigde hen meer dan elke man kan in meer complexere samenlevingen. Zijn genialiteit was zijn volk te laten opstijgen naar een hogere plan. Ondanks zijn grote kennis van de Europese cultuur, heeft hij voor geen moment de wereld of zijn specifieke probleem door de ogen van een Europeaan gezien. Hij zag deze zoals elke Riffijn zag, zijn superioriteit bestond uit het feit dat hij ze scherper kon zien, ze met grotere moed en meesterlijke intelligentie kon bestrijden. Sheean vergelijke op een rustige dag de baai van Al Hoceima met die van Monte Carlo en maakte naar zijn eigen zeggen de als grapje bedoelde "imbeciele" opmerking; na de oorlog kan van dit gebied een Côte d`Azur gemaakt worden met casino`s in Al Hoceima. Abdelkarim`s gezicht werd donkerder, niet in Al Hoceima verklaarde hij ferm. Furneaux bemerkte dat de huidige Marokkaanse regering precies dat hebben gedaan.


Zijn ideeën, zijn doel in zijn leven zijn klein in aantal, de onafhankelijkheid van het Rifgebied. Sheean vervolgde; de simpelheid van Abdelkarims doel was, in de bergen en valleien van zijn eigen mensen op een bepaalde moment in de geschiedenis niet een bewijs van zijn beperkingen, het was een bewijs van zijn grootheid. Gordon Canning die Abdelkarim ontmoette schreef bij zijn terugkomst in Engeland; de Riffijnse leider was een voorbeeld van de meeste onbaatzuchtige patriot met de meest pure toewijding voor zijn land en mensen. Hij was niet overmatig ambitieus nog had hij onredelijke eisen, zijn enige wens was het verkrijgen van een zekere onafhankelijke vorm van bestuur voor zijn mensen en om in vrede te leven met zijn buren.

Een indirect doch belangrijke resultaat van de Rifoorlog was de vernietiging van de constitutionele regering in Spanje en de verschuiving van gewicht van de militaire kliek naar de burgers, de militairen slaagden er immers niet in Abdelkarim aan te pakken. Koning Alfonso XIII noch één van zijn ministers of favoriete generaals konden de uitdaging aan die Abdelkarim hen leverden. De Spaanse monarchi faalde duidelijk over de ruggen van het Spaanse volk en arme soldaten in het terughalen van zijn verloren "prestige"


Een kaart van Noord-Marokko ten tijde van de Riffijnse oorlog tegen Spanje. De rode rondjes markeren een gebied dat heden ten dagen nog steeds in Spaanse handen is.

De positie van Mohamed ben Abdelkarim El Khattabi zal door de geschiedenis worden herinnerd als een inheemse leider die de stammen van Noord Marokko voor het eerst in de geschiedenis had verenigd, een hervormer en één van Marokko`s eerste nationalisten. Later heeft Abdelkarim na een door de Fransen geregiseerde verblijf op Madagaskar politiek asiel voor hem en zijn familie gekregen in Egypte. Hier werd hij door Bourguiba de huidige staatshoofd van Tunesië en andere Noord Afrikaanse nationalisten zoals Allal al Fassi, Abdelhalek Torres verwelkomd om te verblijven in het Maghreb huis te Cairo. Dit huis was lange tijd niet alleen het centrum voor de Marokkaanse nationalistische beweging in het buitenland maar eerder van heel Noord-Afrika die Abdelkarim als belangrijke leider zagen.


De Rifoorlog heeft hiermee een onvergetelijke signaal afgegeven aan de voormalige kolonisatoren, dat hun eigen land niet zomaar ontnomen zou worden. Het bracht een krachtige inspiratie teweeg bij jonge Marokkaanse intellectuelen uit de steden in hun zoektocht naar nationale eenheid. De opstandige Riffijnen staan nu nog in veel historische bronnen bekend om hun gepassioneerde strijd tegen de toenmalige bezetters, voor behoud van land, taal en identiteit.